Geschiedenis

Na de 2e Wereldoorlog kwamen de voormalige kolonieen in opstand ook in het voormalig Nederlans Indie. De periode van dekolonisatie nam een aanvang. Veel Ambonnezen dienden in het Koninklijk Nederlands Indisch Leger en waren betrokken bij militaire gevechten op het archipel. Andere Ambonnezen vochten aan de zijde van Indonesie. In 1949 kwam de souvereiniteisoverdracht door Nederland aan het jonge Verenigde Staten van Indonesie. Op 25 april 1950 besloot de Molukse bevolking om zich onafhankelijk van de Negara Indonesia Timur (deelstaat Oost-Indonesie) en derhalve van de Verenigde Staten van Indonesie te verklaren en riep de Repoeblik Maluku Selatan uit. De vele Ambonnese militairen van het KNIL verklaarden zich solidair met de RMS en wilden naar hun thuisland terug om voor de RMS te vechten. De Nederlandse regering, als werkgever en verantwoordelijke van de Ambonnese militairen, was het daar niet mee eens en gaf een andere optie aan namelijk afvloeiing van de Ambonnese militairen in het voormalige Nieuw Guinea. Dit werd niet door Indonesie geaccepteerd. Door een rechterlijk uitspraak van de Nederlandse rechter werd het contingent
Ambonnese militairen en hun gezinnen naar Nederland overgebracht. Het was 1951. Het zou voor tijdelijk zijn.

Ondergebracht in voormalige concentratiekampen en kloosters wachtten de Ambonnezen op hun terugkeer. In afwachting daarvan was er geestelijke verzorging nodig. De pendeta’s, de 7 kerkvaders, die in het voormalig Nederlands Indie werkzaam zijn geweest, waren ook met de militairen naar Nederland gekomen. Zij verzorgden onder leiding van het Commisariaat AmbonnezenZorg de gebedsdiensten. In de beginjaren kwam er een scheiding van geesten onder de Ambonnezen. Na aankomst in Nederland werd de Classis Geredja Protestant Maluku dinegeri Belanda door de voormalige legerpredikanten onder de leiding van ds. A. Sahetapy opgericht. Dit als onderdeel van de moederkerk Gereja Protestan Maluku. Vanwege een kanselboodschap van de GPM Synode op 28 juli 1951 waarin ze al haar leden oproept om achter de Indonesische Regering te staan kwamen de Ambonnezen in Nederland in beroering. Zij verklaarde zich solidair met het Zuid-Molukse bevolking en een vrije republiek van de Zuid-Molukken en als gevolg daarvan nam zij het besluit om organieke verbinding met de moederkerk de GPM te verbreken. De Geredja Indjili Maluku di negeri Belanda, later de Gereja Indjili Maluku, werd geboren. Ds. J.B. Keiluhu, een ander legerpredikant verzette zich daartegen met de volgende argumenten: -dat de GIMB de relatie met de Moederkerk te snel had doorgesneden -de verzelfstandiging van de GIMB als kerk -dat de GIMB te zeer van boven af was opgelegd, zonder behoorlijk overleg met de kerkenraden en de predikanten -dat de GPM-Ambon,(Moederkerk), de Geredja Protestant Maluku di Belanda geen toestemming verleende om de status van classis van de GPM-Ambon in Nederland te worden.

De GPM-Ambon was de overtuiging toegedaan dat het onmogelijk was dat de kerk/gemeenten van Molukse afkomst die in Nederland zijn, officieel en organisatorisch deel uitmaken van de GPM-Ambon. Het is vanwege administratiefrechtelijke redenen niet realiseerbaar. De GPM heeft in Indonesie een scherp afgebakend gebied toegewezen. Buiten dat gebied en het gebied van nog een paar andere kerken, werkt de Gereja Protestant Indonesia. Het is vanwege het bovenstaande dat ds. Keiluhu de voorkeur gaf om een noodgemeente van de oorspronkelijke Geredja Protestant Maluku dinegeri Belanda te vormen en wel de Noodgemeente Protestant Maluku di Belanda, NGPMB. Opgericht op 13 maart 1953 in het woonoord Lunetten in Vught. De Noodgemeente Protestant Maluku di Belanda beschouwt zich niet als een zelfstandige kerk, maar als een ‘noodgemeente’ wiens leden zijn en blijven van de Protestantse kerk in de Molukken.

Op 22 maart 1953 begon de Noodgemeente Protestant Maluku di Belanda om 9 uur ’s ochtend haar eerste gebedsdienst. De NGPMB werd in de eerste jaren door ds. Keiluhu tot zijn dood geleid. Wat mankeerde bij de NGPMB was een doordacht kerkreglement. Er was een kerkorde aanwezig maar het vertoonde meer verwantschap met een huishoudelijk reglement. Bij geschillen van welk aard dan ook werd het voorgelegd in het licht van het Woord Gods. Een doordacht kerkorde voor de NGPMB werd niet opgesteld;
-omdat de komst van de Ambonnese KNILmilitairen van tijdelijke aard was en zodoende was de tijdelijke NGPMB een instantie die op weg was naar de Moederkerk de GPM. Het huishoudelijk reglement zou voor de komende jaren voldoende moeten zijn. -ds. Keiluhu was de centrale persoon en leidde alles in goede banen. Het werd een probleem en niet werkbaar gezien het feit dat meer dominees aansluiting bij de NGPMB zochten. -meer regels zijn in strijd met het tijdelijke kerkelijke instrument zoals de ‘noodgemeente’. Meer wetten leiden tot meer organisatie. Meer organisatie tot meer bureaucratie. De ironie van alle uit de NGPMB voortgesproten noodgemeentes is dat zij zelfstandige kerken zijn geworden. Een van de redenen die ds. Keiluhu besloot tot de oprichting van de NGPMB.

Eind jaren zestig kwam de schisma in de Noodgemeente Protestant Maluku di Belanda. Ds. Keiluhu stierf en liet een grote leegte achter dat niet opgevuld kon worden door het huishoudelijk reglement. Door allerlei verwikkelingen in de jaren zeventig; personele kwesties, al dan niet terechte dan ten onrechte ingeloste beloftes en tegenstrijdige belangen kwam de Noodgemeente Protestant Maluku di Belanda uiteindelijk alleen te staan. De coördinator A. Nanlohy, oud-minister van de RMS en een van de oprichters van de Bond ex-KNIL trachtte tevergeefs alle partijen bij elkaar te brengen en de problemen op te lossen. De kerkenraad van de NGMPB probeerde de erfenis van ds. Keiluhu in ere te houden. Het mocht niet baten. Vanwege het intrekken van de dienstrooster van de NGPMB Vught nam ds. M. Tulaseket het beroep van de Noodgemeente Protestant Maluku di Belanda aan, om de gemeente voor te gaan. Op 28 september 1975 stond de Noodgemeente Protestant Maluku di Belanda in Vught alleen.

In 1951 kwam het contingent Ambonnese KNIL-militairen door het arrest Aponno van 2 maart 1951 naar Nederland. Het zou een tijdelijke maatregel zijn. Naarmate de jaren vorderden nam de Nederlandse Staat maatregelen tot ‘normalisatie’ van de betrekkingen tussen de KNIL-militairen en de regering. De Nederlandse Staat zorgde voor de stroomlijning van de gebedsdiensten van de Ambonnezen. Voorzag in roerende en onroerende goederen om de gebedsdiensten mogelijk te maken. De Nederlandse Staat wilde er vanaf en in kerkelijk opzicht schermde ze met het beginsel van de scheiding tussen kerk en staat. De NGPMB met veel lidmaten die lid zijn van de belangenorganisatie ‘Bond ex.KNIL militairen op weg naar huis’ waren daar pertinent op tegen. Volgens de Bond ex.KNIL had de Nederlandse Staat door de ondertekening van het Hatta-Hirschfeld, in het kader van internationaal recht, de zorg voor de oud-militairen tot de terugkeer van de Ambonnezen naar een vrij Repoeblik Maluku Selatan. In de loop van de jaren tachtig resulteerde de normalisatie op kerkelijk gebied ook tot de vorming van de Kerk Voogdij Raad. De Nederlandse Staat betaalde een x bedrag aan de Kerkvoogdij Raad en droeg het onroerend goed aan de raad over. In de Kerkvoogdij Raad zijn haast alle Molukse
kerken vertegenwoordigd. Door deelname aan de KVR is de normalisatie gerealiseerd en de uitzonderingspositie, of door verdrag toegekend recht, van de Ambonnezen op kerkelijk gebied is een einde gekomen. Samen met enkele kerken is de NGPMB in Vught niet tot de KVR toegetreden. De reden dat zij dat niet heeft gedaan lag in het feit dat de NGPMB in Vught sterk verankerd is met de organisatie Bond ex-KNIL, dat in Vught werd opgericht, en de doelstellingen en ideeen van de Bond een warm hart toedraagt. De NGPMB net als de Bond ex-KNIL is de mening toegedaan dat de Nederlandse Staat voor haar en dus de lidmaten en aanhang moet zorgen tot de terugkeer naar een vrij RMS (gebied). Haar legitimatie vond zij in het Hatta-Hirschfeld memorandum waar de Ned. Staat voor de ex-militairen en hun nakomelingen dient te zorgen. Zij stelt dat het nationaal recht (scheiding tussen kerk en staat) niet boven het internationaal recht (Hatta-Hirschfeld) staat. In wezen is de relatie tussen de Noodgemeente Protestant Maluku di Belanda en de Nederlandse Staat tot op heden gebaseerd op het memorandum. Tot de jaren negentig verbleef de NGPMB eerst in het stenen gebouw en daarna in de houten kampkerk in barak 1. Door de komst van de KVR werd de NGPMB gedwongen om naar een ander gebouw uit te zien en zodoende haar erfgoed te beschermen. Op 16 maart 1996 nam zij haar intrek in de Kwebben, een sociaalcultureel centrum in Vught. Na enkele jaren verhuisde de NGPMB op 26 mei 2002 naar de Stenen Hut, een ontmoetingscentrum in zorgpark Voorburg te Vught. Door omstandigheden in december 2014 werd de NGPMB wederom gedwongen om naar een ander gebouw uit te zien. De NGPMB kon tijdelijk haar diensten houden in het gebouw van  Uitvaartverzorging van der Steen tot de NGPMB in april 2015 haar intrek nam in bs. De Springplank, tot heden.

Ds. Keiluhu, oprichter van de Noodgemeente Protestant Maluku di Belanda, was tot zijn verhuizing naar Culemborg, in de zestiger jaren, de dominee in Vught. Hij werd door ds. Molle opgevolgd. Op 28 september 1975 nam ds. M. Tulaseket het beroep aan om de NGPMB voor te gaan. Onze dominee werd in september 1974 in Leerdam bevestigd. Gemeentes waar hij is voorgegaan waren Alphen a/d Rijn, Tiel, Woerden en Culemborg. De bedoeling was om het domineeschap parttime uit te oefenen, maar door het verzoek van de kerkenraad in 1975 is het een andere kant opgegaan. Domina A. Tulaseket-Palapessy is sinds 1976 werkzaam in onze kerk. Beide voorgangers zijn van plan om over een aantal jaren met pensioen te gaan.

 

Dit stuk is ontleend aan het boek ‘Omzien in verwondering’ met als subtitel de geschiedenis van de Noodgemeente Protestant Maluku di Belanda.